U bevindt zich hier: HomeSoftware GenealogieAldfaerOude beroepenOude beroepen met een I

Oude beroepen met een D

D

Damastwercker
Ook wel damastwever. Men kende verschillende soorten damast. Oorspronkelijk is het zijdeweefsel. Later gebruikte men ook linnen, halflinnen en katoenen garens. In beginsel wordt damast uit één soort garen vervaardigd in een effen kleur, maar door de verschillen in lichtweerkaatsing van de ketting en inslagdraden komen de patronen toch duidelijk uit. In het begin gebruikte men damast voor verschillende doeleinden, zoals kleding, behangsel, gordijnen en bekledingsstof voor meubelen, later ook als tafellinnen.

Dansmeester
Onder dansen verstaat men "de kunst, om met vaardigheid de beweging de voeten, of de zogenaamde passen, naar een bepaalde maat, interigten. Zij welke in deze kunst aan aanderen onderricht geven, worden dansmeesters genoemd."

Darmsnarenmaker
De vervaardiger van snaren voor muziekinstrumenten, later ook voor (tennis-)rackets en voor als "catgut" bekende soorten chirurgisch garen. Hiervoor werden speciaal de darmen van schapen en geiten gebruikt.

Dekker (dakdekker)
Het ambacht van dekker is het dekken van gebouwen, dat wil zeggen gebouwen van dakbedekking voorzien. Naar de verschillende manieren van dakdekken onderscheidde men koper-, lei-, lood-, riet-, stroo- en zinkdekkers.

Delver
De zand- en grinddelver baggerde de grondstoffen voor wegenaanleg, steenfabricage (en later betonbouw) uit de rivierbodem. Oorspronkelijk en beperkt gebeurde dit eeuwenlang met behulp van de hand- en hijsbeugel, waarbij gebruik werd gemaakt van menselijke spierkracht. Een beugel bestond uit een lange stok met onderaan een ijzeren ring (de eigenlijke beugel), waaraan een zak of net was bevestigd. Door de stok tegen de schouders te laten rusten kan de delver of baggeraar zijn twee handen gebruiken om op de bodem zijn beugel vol te trekken, die daarna op te tillen en in een schuit of op de wal te legen. Voor het baggeren op wat grotere diepten moest de beugel door twee mannen bediend worden. Al vrij gauw werd een eenvoudige installatie geplaatst met een lier of katrol, waarmee de beugel vol werd getrokken nen meestal ook boven water getild.

Destilleerder
Ook distilleerder of distillateur. Iemand die zijn beroep maakt van het distilleren van sterke dranken.

Diamantbewerkers
Ook diamantwerkers genoemd. In India werden diamanten een paar eeuwen voor het begin van onze jaartelling reeds voor verschillende doeleinden gebruikt. In de middeleeuwen waren het voornamelijk de Spanjaarden, de Portugezen en de Venetianen, die het handwerk van diamantslijpen beoefenden en over Europa verspreidden. Toen de Spanjaarden aan het eind van de 16e eeuw de havenstad Antwerpen veroverden, weken onder meer ook diverse diamantbewerkers uit naar Amsterdam. Naast de sierdiamant nam ook het gebruik van de industriële diamant hand over hand toe. Tot rond 1820 was het diamantbewerken vooral thuiswerk. In 1822 werde de eerste 'paardenfabriek' in werking gesteld, waarbij paardekrachten de vroegere 'molendraaisters' vervingen. In 1840 kwam de eerste stoomslijperij in bedrijf.
Van 1750 tot 1790 liep het aantal diamantbewerkers terug van zon'n 600 tot nauwelijks 200. In de tijd van de malaise kon de niet-Joodse handwerksman niet op tegen zijn Joodse collega's, die met een lager loon genoegen namen en bij het thuiswerk vaak hun hele familie inschakelden.
Bij het diamantbewerken onderscheidt men verschillende functies:

Diamantzager
Zaagde de achtkantige ruwe diamanten in de gewenste vorm.

Diamantklover (-klooftser)
Geeft de diamant de vorm van een zuiver kristal en verwijdert de onzuivere gedeelten.

Diamantsnijder (-snijdster)
Geeft de gekloofde diamant door schuren en wrijven de grondvorm.

Diamantslijper
Geeft de diamant de uiteindelijke vorm.

Diamantversteller
Zet de te slijpen diamant telkens zo in de dop vast, dat het te slijpen vlak boven ligt.

Diefhenker
Ontleend aan dieb(s)hencker. Persoon die dieven ophangt, beul.

Diefleider
Dienaar van de schout, belast met het aanhouden en ter terechtstelling voeren van dieven, andere misdadigers en wetsovertreders. (Diefleiderschap is het ambt van diefleider).

Dienstbode
Thans vooral vrouwelijk persoon, die bij een ander in loondienst is om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Vroeger was dit begrip uitgebreider: 'Dat onder sodanige domestique dienstboden begrepen te zyn alle straatjuffrouwen, gouvernants van mesnage ofte kinderen, inwonende naeysters, minnens, opsienders, secretarissen, pedagogen, pages, kamerdienaars, hof- ende stalmeesters, comtoir-, winkel- ende kelder-knegts, winckeldochters of meysjens, koetsiers, hoveniers, ende generalyk alle andere knechts, jongens ende maagden, hoedanig die ook mochten werden genaamt, soo wanneer deselve maar in dienst en kost van ymand zyn, ofte dat andersints het kostgeld apart, ofte met ende beneffens 't loon in eene massa bedongen of begrepen is'.

Dienstman
Ook dienestman genoemd. Dit was geen beroep maar een functie. Deze hield in dat de betreffende persoon jegens een persoon of lichaam, dat wil zeggen jegens de bezitter van zekere goederen of rechten, meestal krachtens een leenband, verplichtingen had, in het bijzonder tot het verrichten van gewapende dienst. Dit was vooral van toepassing op de een aanzienlijke stand vormende, maar aanvankelijk onvrije vorstelijke en bisschoppelijke beambten of de uit deze beambten voortkomende stand.

Dieper
Aannemer van rivier- en baggerwerken. Afgeleid van diepen, het dieper maken, uitdiepen. Een van de methoden was het gebruik maken van de stroom door water op te stuwen en dat dan te spuien. Soms maakte men daarbij gebruik van 'krabbelaars' of 'mollen'. Deze mollen of krabbelaars waren scheepjes, waarbij uit de bodem ijzeren eggen werden neergelaten. Deze dienden om de grond los te woelen, zodat deze gemakkelijk kon worden weggespoeld. In de 16e eeuw begon men gebruik te maken van moddermolens, waarbij de modder met behulp van tredmolens, door mankracht aangedreven, werd opgebaggerd.

Dijkbaas
Opzichter over een dijk.

Dijkbode
De beambte die onder meer aanzeggingen doet en gelden ophaalt voor een dijkbestuur.

Dijkgraaf
Deze is voorzitter van het dagelijks bestuur van het waterschap.

Dijkmeester
Ambtenaar belast met het toezicht op de werkzaamheden aan een dijk.

Dijkmeter
Ambtenaar belast met metingen op de dijk.

Dijkrechter (-richter)
Overheidspersoon belast met toezicht over dijken (dijkgraaf).

Dijkschepen
Lid van een dijkbestuur, dijkheemraad.

Dijkschrijver
Secretaris van een dijkbestuur.

Dijkwerker (dijker)
De arbeider, die het werk aan de dijken verricht.

Dischmeester
Komt in twee betekenissen voor: tafelmeester en armmeester.

Dobbelmeester
Ambtenaar belast met het toezicht op dobbel- en hazardspelen.

Dokter (medicus)
In de zestiende en zeventiende eeuw waren er nog weinig dokters en die weinigen oefenden hun praktijk vooral in de grote steden uit. Eerst in 1575 begon de opleiding tot medisch doctor in ons land. Voordien moesten zij hun wijsheid elders opdoen. In de eerste plaats was de dokter vooral in de beginperiode een theoreticus, die zijn kennis ontleende aande boeken van Hippocratus en Galenus. In de eerste helft van de zeventiende eeuw werd de medicus eigenlijk voor het eerst geconfronteerd met de zieke mens in de kliniek. Geen arts zou zich in die begintijd veroorloven de geneeskunde praktisch uit te oefenen. Op zijn voorschrift werd het handwerk uitgevoerd door de chirugijn en de vroedvrouw. Bij bevallingen, waarbij intrumentaal ingrijpen nodig was, geschiedde dat door een gespecialiseerd chirurgijn, de vroedmeester. Was men ondermeer onbekend met ziekteverwekkers en het overbrengen door ongedierte als ratten, muizen envlooien, ook de verdere medische kennis was in de begintijd nog zeer gering. Ziekten waarmee men destijds te maken had, waren onder meer pest, cholera, syfilisen malaria.

Donderbusmeester, dondermeester
Artillerieofficier. Een donderbus is een vuurmond, kanon.

Doodgraver
Persoon wiens ambt het is doden te begraven.

Draaijer (draaier)
'De kunst om onderscheidene ruwe stoffen door een daartoe geschikt werktuig rond te bewegen en er dan met beitels eenen bepaalden vorm aan te geven, noemt men draaijen en de uitoefenaars dezer werking heeten draaijers.' Dit werk geschiedde aan een draaibank en de werktuigen van de draaiers waren hoofdzakelijk een lange, veerkrachtige staak aan een koord en een beitel. Het voorwerp dat men draaide liep in twee ijzeren puntjes, terwijl de draaier de beitel bestuurde. De ruwe stoffen waarmee de draaier werkte waren hout, ivoor, been, notenschalen, ijzer, tin, lood, etc. Hiervaan vervaardigde hij stoelen, knoppen, nappen, koppen, vaatjes, messenheften, vorkenheften, beitelheften, hamerstelen, knopen, inwendige delen van uurwerken, koffiepotten, ketels, zelfs zware molenassen, ankers en de nog zwaardere luidklokken. Een draaier is ook iemand die rond aardewerk draait met behulp van een pottenbakkersschijf.

Drapenier
Geleidelijk aan nam de vraag naar wol toe en ging men ook hogere eisen stellen aan de geweven stoffen. Het inkopen werd daardoor tijdrovender en stelde hogere eisen aan de financiële middelen, vooral toen men onder meer Engelse wol ging gebruiken. Daarbij kwam dat de wol alleen in bepaalde steden verhandeld mocht worden. In het laatst van de dertiende eeuw was Dordrecht een stapelplaats voor Engelse wol, later Brugge en omstreeks 1350 werd dat Calais, dat in 1346 door de Engelsen op de Fransen was veroverd. Voor Engeland was dat een ideale situatie, omdat ze zo een scherpe controle op tollen en uitvoerrechten konden uitoefenen, waardoor de inkomsten van de Engelse koning veilig gesteld waren.
Dit alles heeft bevroderd dat de beter gesitueerde wevers en ook kooplieden de wol inkochten. De deelbewerkingen als wassen, spinnen, weven en vollen werden door hen uitbesteed. Zo werden reeds in de veertiende en vijftiende eeuw in de Zuidelijke en later ook in de Noordelijke Nerderlandem de zelfstandig werkende ambachtslieden verdrongen door mensen, die zich in dienst van anderen, de drapeniers of lakenreders, stelden.

Drijver
Iemand die personen of dieren voortdrijft.

Dro(o)ger
Bij diverse vormen van voortbrenging kwam een droogfase voor. Zo waren er bijvoorbeeld visdrogerijen, drogerijen voor geneeskundige- en aromatische planten en drogerijen voor ossebloed.

Drogist
De drogisten werden in de zestiende eeuw materialisten genoemd. Zij werden stelselmatig buiten de gilden van de apothekers en cruydeniers gehouden. Toch verkochten ze veel kruiden, al dan niet op recept. In oorsprong staan cruydenier en drogist dicht bij elkaar.
Drogisten waren zij die ui de drie natuurrijken, doch hoofdzakelijk uit het plantenrijk die ruwe stoffen verzamelden en de eerste bewerking deden ondergaan, welke voor de genezing van mensen en dieren dienstig geoordeeld werden of waaraan door de geneeskundigen een herstellend vermogen toegekend werd.

Droller (drolster)
Arbeider of arbeidster aan een verdeelstoel of drolmachine, dat wil zeggen een werktuig, verdeelmachine, waarin de katoen een laatste bewerking van het voorspinnen ondergaat (vermoedelijk op de klank af gevormd naar het Engelse drawing-frame).

Drooggasterijhouder (ook drogasterij of droge gasterij)
Houder van een inrichting waar men de gelegenheid geeft iets te eten en te drinken, maar niet om alleen gebruik van drnaken te maken.

Droogmeester
Degeen die het bewind der visdrogerijen heeft. Zo sprak men vroeger over 'Droogen-Haring, Bocx-Haringh oft Ty-Bucking'.

Droogscheerder (doekscheerder)
De droogscheerder maakte deel uit van de lakennijverheid. Hij 'schoor' of eigenlijk knipte het gedroogde laken glad door de uitstekende vezels te verwijderen met een grote schaar, die de hele breedte van de scheerdis bestreek. Het weefsel werd daartoe eerst geruwd met behulp van de stekels van de kaardebol, die men daartoe speciaal kweekte.
De beste kwaliteit laken werd aan beide kanten bewerkt. Deze soort heette vroeger 'scaerlaken'. De lakens uit Den Bosch ('Bussche lakens') waren in de veertiende eeuw om hun kwaliteit reeds gezocht in verschillende Europese landen.
Het gildewezen zorgde dan ook voor een intensieve kwaliteitsbewaking. De droogscheerder die doorwerkte bij lamp- of kaarslicht kreeg een stevige boete als men hem betrapte.

Drossaard (drossaert, later drost)
Titel van een voormalig rechterlijk en bestuursambtenaar ten plattelande. In zijn ambstgebied was de drost de justitiële gezagsdrager namens de soevereine macht; dat is in de middeleeuwen de vorst en ten tijde van de Republiek bijvoorbeeld de Staten van Holland.

Duinmaaier
Hij verrichtte maaiwerkzaamheden in de duinen.

Duinman
Als variatie van de huisman (= boer), die in de duinstreken landbouw beoefende en ook de duinen (met helm) beplantte. Duingrond was en is geschikt voor het verbouwen en kweken van bepaalde gewassen als duinzandaardappelen en bollen, zoals ook nu nog gebeurt. Als nevenfunctie was hij soms tevens duinopzichter, die het toezicht in een bepaald duingebied had.

Duinmeyer (of duinhouder)
Pachter van een stuk duingebied, die eveneens vaak tevens als duinopzichter fungeerde, die tegen overtredingen had te waken.

Nieuwsflitsen

Een mogelijke verhuizing van het Terneuzense archief naar het Zeeuws Archief in Middelburg stuit niet alom op een ‘njet’ bij heemkundige organisaties in Terneuzen.

Het Terneuzense archief zit met achterstallig onderhoud en moet worden gedigitaliseerd. Twee toekomstplannen liggen op tafel: het in eigen huis aanpakken of verkassen naar...

Lees meer...
Go to top